Vijf mooie gedichten van Gerrit Komrij

gerrit12-980x735

Gerrit Komrij in Den Haag, 16 januari 2009. Foto Martijn van de Griendt / Hollandse Hoogte

Gerrit Komrij verlaat het literaire leven niet alleen als gelauwerd essayist, dichter en romanschrijver – maar ook als de belangrijkste bloemlezer van zijn generatie, aldus NRC-boekenredacteur Arjen Fortuin. Een selectie van vijf mooie gedichten uit zijn omvangrijke oeuvre.

Schrikbeeld

Neem me de poëzie af
En ik ben een brievenbesteller
Een defecte toerenteller
Een man zonder toverstaf

Trek me mijn maskers af
En ik ben een gesteven minister
Een gediplomeerd redetwister
Op weg naar mijn marmeren graf

Een sukkel in sukkeldraf
Op weg naar het avondrood
Op mensenliefde staat straf
En de sukkels moeten dood

Uit: Spaans benauwd (2005)

Maskers

De man die vrolijk met zijn masker speelde
Totdat het uur sloeg dat zijn waar gelaat
Muurvast één leven met zijn masker deelde:
Als kind al maakte dat verhaal me kwaad.

Zoiets was zuur. Straks, als ik groot zou zijn,
Zou ik bewijzen dat het anders kon:
Dat ieder masker veilig, zonder pijn,
Weer van je hoofd kon, als een capuchon.

En lang heb ik daar heilig in geloofd.
Op niets bedacht hield ik mijn aard verborgen
Opdat die, als mijn speelvuur was gedoofd,
Zuiver zou blijken als de eerste morgen.

Nu ben ik oud, alleen om te erkennen:
’t Verhaal is waar. Het masker gaat niet af.
Het is alsof je aan de hel moet wennen.
Het is alsof je kijkt in een leeg graf.

Uit: Alle gedichten tot gisteren (1999)

Liefde

Ze liggen op elkaar, schurft op eczeem.
Je hoort de schilfers knappen. Roos stuift op.
Hun schedels glimmen als een diadeem.
Ze liefkoost teder zijn gezwollen krop.

Zijn pink verdwijnt in een abces van bloed.
Ze kronkelt. Uit haar mond springt slijm. Een blaas
Ontploft. Zijn krop wordt blauwer. Hij vat moed.
Hij rolt haar op haar rug. Hij is de baas.

Dan gaan zijn sleetse lendenen tekeer.
Het is een machtig knarsen. Het gesop
Van kwijl in etter kent geen einde meer
Zij kotst. Gods wonder in een notedop.

Uit: De os op de klokketoren (1981)

Spontane bekering

Vaarwel, vaarwel, gemene gore gulden,

Dom dubbeltje, kwaad kwartje, saaie cent
Te lang heb ik uw grofheid moeten dulden
En de escapades van uw roversbent.
Ik zag u languit rollen in de goot,
Ik zag u vuile gleuven binnendringen
En u misdragen als de Zilvervloot.
Rot op, beschamend blikkerige dingen.
Er zweeft iets schoners langs de hemel nu,
Het zweeft er elegant, het zweeft sportief.
Het heeft zo helemaal en helemaal
Niets weg van dom en bloedbevlekt metaal.
Vlieg haastig binnen euro, eurolief
Uw oude trouwe geldwolf wacht op u.

Dichter des Vaderlands, 8 oktober 2002

Alles blijft

Daar stond een muur die ik heb aangeraakt.
De muur werd afgebroken. Van het puin
werd verderop een fundament gemaakt.
Ik plantte een fruitboom in mijn oude tuin.

Die werd geasfalteerd. Vijf meter diep
Houdt zich een wortelstronk nog grommend koest.
Vijf eeuwen lang desnoods. De Spaanse griep
Landt ooit op Mars omdat ik heb gehoest.

Er was een vriend aan wie ik heb geschreven,
Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd.
Je bent een deel van alles bij je leven
En alles blijft bestaan wanneer je sterft.

Uit: Alle gedichten tot gisteren (1999)

Geplaatst in:
Bloemlezing
Lees meer over:
gedicht
Gerrit Komrij
Poëzie

Volg nrc.nl op en , lees onze dagelijkse nieuwsbrief