Sinds de laatste Tweede Kamerverkiezingen is de partijcultuur van de SP regelmatig onderwerp van debat. Dat is een goede zaak: de partijorganisatie van de derde landelijke partij moet de toets der kritiek kunnen doorstaan. Een onwenselijk aspect van die partijorganisatie is dat de SP de staat, provincies en gemeenten de bezoldiging van ‘haar’ volksvertegenwoordigers rechtstreeks aan zichzelf laat uitbetalen. Deze gewoonte is in strijd met het vrij mandaat, en zou daarom gestaakt moeten worden.
Het vragen van een extra financiële bijdrage aan Kamerleden (en andere volksvertegenwoordigers) is bij de grote partijen vaste prik. CDA, VVD, PvdA, GroenLinks en D66 doen het ook. Hun partijreglementen schrijven voor dat kandidaat-volksvertegenwoordigers, voordat zij op de verkiezingslijst komen, moeten beloven om een deel van hun inkomen als volksvertegenwoordiger aan de partij te betalen. Deze afdrachten zijn schenkingen. Er wordt weliswaar morele druk op de volksvertegenwoordiger uitgeoefend om financieel bij te dragen, maar uiteindelijk maakt het Kamerlid zijn geld vrijwillig over.
Ook de SP vraagt voorafgaand aan plaatsing op de lijst – forse – geldelijke bijdragen van haar toekomstige volksvertegenwoordigers, te financieren uit toekomstige bezoldiging en eventueel wachtgeld. Volgens partijsecretaris Van Broekhoven zijn deze bijdragen schenkingen (de Volkskrant, 22 augustus) en is er dus niets aan de hand. Bij de SP maakt de volksvertegenwoordiger echter niet zélf periodiek een bedrag over aan zijn partij. Meteen na de verkiezingen wordt het gehele recht op bezoldiging met een zogenoemde akte van cessie aan de partij overgedragen. Staat, provincie of gemeente stort de bezoldiging vervolgens rechtstreeks in de partijkas. Op haar beurt betaalt de SP de volksvertegenwoordiger een bescheiden salaris.
Bij een geldige cessie wordt de schuldenaar verplicht aan de nieuwe schuldeiser te betalen. De staat en verschillende provincies en gemeenten maken het salaris van SP-volksvertegenwoordigers braaf over aan de SP, waarschijnlijk in de veronderstelling daartoe verplicht te zijn. De cessie aan de partij is naar mijn oordeel echter ongeldig wegens strijd met het beginsel van vrij mandaat. Het vrij mandaat zorgt ervoor dat Kamerleden – als tegenwicht voor de altijd aanwezige fractiediscipline – een minimum aan onafhankelijkheid behouden tegenover hun partij. Door het vrij mandaat kan een volksvertegenwoordiger naar eigen inzicht zijn stem uitbrengen; aan een stemopdracht van partij of fractie is hij niet gebonden. Bovendien kan de partij volksvertegenwoordigers nooit dwingen om hun zetel op te geven, zoals het geval van SP-senator Yildirim illustreert. Het vrij mandaat moet voorkomen dat een klein groepje partijbestuurders het stemgedrag van volksvertegenwoordigers vanuit het partijkantoor kan bepalen.
Volksvertegenwoordigers zijn geen stromannen van hun partij. Zij ontvangen een bezoldiging, zodat zij de nodige tijd voor hun ambtsuitoefening kunnen vrijmaken, zonder afhankelijk te worden van financiële gunsten van anderen. Door de afdrachtsregeling van de SP worden Kamerleden juist financieel afhankelijk van hun partij. Die afhankelijkheid is zeker bij een fulltimefunctie als het Tweede Kamerlidmaatschap, groot. Dat de SP het geld in de praktijk wel op tijd zal uitbetalen, doet aan de afhankelijkheidsrelatie niet af. Juist in die gevallen waar de functie van het vrije mandaat zo belangrijk is – gevallen waarin een volksvertegenwoordiger meent het aan zijn geweten verplicht te zijn tegen de partijlijn in te gaan – moet de volksvertegenwoordiger vrij zijn van de gedachte dat zijn partij zijn broodheer is. Hij moet zijn stem kunnen uitbrengen zonder de geringste vrees voor zijn persoonlijke financiën.
Door de cessie verwordt de volksvertegenwoordiger tot een werknemer van de partij, die maandelijks maar afwachten of hij zijn geld krijgt. Zo ontstaat een verhouding tussen partij en volksvertegenwoordiger die in strijd is met het vrij mandaat. Om die reden is de cessie ongeldig. Provincie, staat of gemeente zijn niet verplicht om de bezoldiging in de SP-kas te storten. Zij zouden deze constitutioneel onwenselijke praktijk dan ook moeten staken en de bezoldiging aan SP’ers zelf moeten uitbetalen.
Natuurlijk: als SP’ers hun geld op hun eigen bankrekening ontvangen, kunnen zij altijd – net als volksvertegenwoordigers bij andere partijen – op eigen gelegenheid (grote) bedragen aan de SP schenken. Het cruciale verschil is, dat zij daartoe dan vrijwillig en onafhankelijk van hun partij kunnen besluiten.
R.J.B. Schutgens is promovendus bij de sectie Staats- en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

AEX: 317,06 





