dit is een publicatie van

De dag dat Berry van Aerle Europees kampioen werd

Gisteren precies 25 jaar geleden werd het Nederlands elftal Europees Kampioen in Duitsland. Dit is hoe die dag beleefd werd door rechtsback Berry van Aerle, die geen bijgeloof had, het shirt niet lelijk vond en gewoon altijd zijn best deed.

Goedemorgen, Willem

Berry van Aerle is eerder wakker dan Wim Kieft. Hij kijkt opzij, naar zijn kamergenoot in het hotel Huber, in Unterhaching, een klein stukje onder München. Het is zaterdag, 25 juni 1988. De dag van de EK-finale. Sovjet-Unie - Nederland.

Hij blijft nog even liggen onder de witte lakens. Uit aangrenzende kamers klinkt enkel stilte.

Het zijn kleine kamers, kleiner dan hij gewend is. In het voorgaande seizoen reisde hij met PSV langs grote steden, onderweg naar de Europa Cup I. Istanbul, Wenen, Bordeaux, Madrid, Stuttgart. In sommige hotels kon je een balletje hooghouden tussen het bed en het dressoir. Hier niet.

Nu kan Berry van Aerle sowieso niet hooghouden, al had hij er de ruimte voor. Hooghouden doen ze maar een paar kamers verderop, waar Van Basten ligt. De spits van AC Milan schoot Oranje vier dagen geleden naar de finale, op een pass van Jan Wouters. Hij kon niet anders dan binnenschieten met een sliding, in een uiterste poging eerder bij de bal te zijn dan Jürgen Kohler van West-Duitsland. Diagonaal, als een biljartbal over het laken, schoof de bal over het gras van het Volksparkstadion, dat, zo jubelde commentator Evert ten Napel een paar seconden later, ‘van Oranje was’. Van Basten schoof de 2-1 erin en verloste het land van een nationaal trauma.

Het zijn kleine kamers, kleiner dan hij gewend is.

hotelkamer

Mettmann, West-Duitsland 2 juni 1988: Berry van Aerle en Gerald Vanenburg, brengen een bezoek aan de kamer van Wim Kieft in het trainingskamp Gut Höhne. Oranje heeft zich voor de Europese kampioenschappen geïnstalleerd. Foto Nationaal Archief / Arthur Bastiaanse.

Van Basten. Die zou nog van tientallen meters afstand de kroon van een bierflesje kunnen schieten, bij wijze van spreken. Berry van Aerle niet.

Geklop op de deur. Teammanager Carel Akemann. Ja!, roept Van Aerle, ten teken dat hij wakker is. Hij kent het strakke schema van bondscoach Rinus Michels: om 9:00 uur wordt er ontbeten. Niet eerder, niet later. Iedereen houdt zich eraan.

Hij stapt onder de douche en peilt de spanning in zijn lichaam. Wedstrijdspanning, meer is het niet. Berry van Aerle heeft goed geslapen.


Die spanning is geen onprettig gevoel; het stuwt hem voort, maakt hem klaar voor wat er gaat gebeuren. Eenmaal op het veld zal het plaatsmaken voor concentratie. Of je nu bouwvakker, postbode, astronaut of voetballer bent - je kunt alleen maar je best doen. Zo denkt Van Aerle erover. Hij valt niet terug op rituelen die houvast moeten geven: hij trekt niet dezelfde onderbroek aan als bij de vorige keer dat het goed ging, hoeft geen vaste plek in de kleedkamer, eist geen rugnummer dat een bijzondere betekenis voor hem heeft. Hij bidt niet tot iets hogers.

Hij is Berry van Aerle,
één meter zevenenzeventig lang en rechtsback. Hij werkt hard en hij klaagt nooit.

En hij is snel.
Zo snel dat ze hem Turbo Berry noemen.

Het water klettert op zijn hoofd.
Ja, wedstrijdspanning is het.
Nerveus is hij nooit.


Of, jawel, één keer, lang geleden. Toen hij gescout was bij zijn amateurclub, HVV Helmond, en een testwedstrijd bij PSV mocht spelen. Voor de wedstrijd voelde hij zich misselijk, hij wilde naar huis. Tegen assistent-trainer Jan Reker hoorde hij zichzelf pardoes zeggen dat hij linksbuiten was. Hij wist niet waarom, of wat een linksbuiten eigenlijk moet doen. Hij smeekte zijn vader om weer naar huis te rijden, maar die stuurde hem het veld in. Dan maar linksbuiten. Van Aerle scoorde twee keer.

Hubertus (Berry) Elisabert Hendricus van Aerle werd op zaterdag 8 december 1962 geboren in Helmond, als vierde in een gezin met vijf kinderen, op zo’n vijftien kilometer ten oosten van het PSV-stadion. Zijn vader werkte bij Philips en verkocht elke zaterdag bloemen uit een bakfiets. Uit liefhebberij, maar ook om voetbalschoenen te kunnen kopen voor zijn zoon.

Aan het eind van het seizoen ’81/’82, op 21-jarige leeftijd, maakte Van Aerle zijn debuut in het eerste van PSV, als rechtsback. Die basisplaats gaf hij jarenlang niet weg, stabiel en constant als hij is, totdat de club de Belg Eric Gerets kocht, ook rechterverdediger. Van Aerle raakte zijn plek kwijt en belandde op de bank.

In de winterstop van ’86/’87 werd hij verhuurd aan FC Antwerp, waar hij vervolgens in een half seizoen grote indruk maakte. Van Aerle speelde sterk en was gelukkig in Antwerpen. Zo gelukkig dat hij eigenlijk liever weigerde toen PSV hem terugvroeg voor het seizoen erop. De club hield hem echter aan zijn contract en mokkend keerde hij terug naar Eindhoven, nog niet wetende welk succesverhaal hem daar opwachtte.

In het daaropvolgende seizoen lukte namelijk vrijwel alles. Van Aerle herwon zijn basisplaats, nu als rechtshalf, dus vóór Gerets, en met die ploeg won hij alles wat er te winnen viel. Als derde club ooit haalde PSV in ’87/’88 de treble binnen: het landskampioenschap, de nationale beker én de belangrijkste Europese prijs, de Europa Cup I.

Dit
seizoen
lukte
alles

hotelkamer

Als derde club ooit haalt PSV in 1988 de treble binnen: het landskampioenschap, de nationale beker én de belangrijkste Europese prijs, de Europa Cup I. Foto ANP

Ondertussen werd hij international. Van Aerle sierde in oktober 1987 zijn debuut in het Nederlands elftal op door in Polen twee keer razendsnel op te komen langs de rechterkant om voor te geven op Ruud Gullit, die op die manier twee doelpunten maakte. Het werd 2-0. En tot vandaag, 255 dagen later, in de hotelkamer in Unterhaching, miste hij geen wedstrijd in het oranje shirt en verloor hij slechts één keer.

Van de Sovjet-Unie, dat wel.


Dit toernooi begon met die nederlaag. En de voorbereiding liep ook al niet vlekkeloos. Op zondag 22 mei, Eerste Pinksterdag, kwam de selectie van Michels samen in Noordwijk voor een trainingskamp, maar de PSV’ers uit de selectie waren er nog niet bij. Zij speelden drie dagen later de finale van de Europa Cup I nog, in Stuttgart tegen Benfica. Terwijl die wedstrijd na strafschoppen gewonnen werd, zat de rest al in het strakke schema van bondscoach Michels: wakker worden, ontbijten, trainen, lunchen, trainen, eten, filmpje, slapen. De volgende dag hetzelfde, tot aan het vertrek naar Duitsland op 2 juni.

Voor Michels was het onhandig dat hij begon zonder de PSV’ers Van Breukelen, Ronald Koeman, Van Aerle, Vanenburg en Kieft, maar hij had aan de Noordzee wel meer aan zijn hoofd. Van Basten kwam bij de groep aan met een gescheurde wenkbrauw en een pijnlijk jukbeen, overgehouden aan een oefenwedstrijd tussen AC Milan en Real Madrid, en een wankele enkel die hem het grootste gedeelte van het seizoen aan de kant had gehouden. Was hij fit? Wat kon hij na zo’n seizoen? Michels had geen idee. Aanvoerder Ruud Gullit had weer wel gespeeld, maar te veel: hij was oververmoeid. Frank Rijkaard was er nog niet vanwege verplichtingen bij Real Zaragoza, de club waar hij na veel rumoer nu op huurbasis speelde. En middenvelder Jan Wouters was geblesseerd.

Rinus Michels keek in Noordwijk zijn assistent Nol de Ruiter aan. Hij zei: Waar zijn we aan begonnen?


Goedemorgen, Willem, zegt Berry van Aerle.
Goedemorgen, Berry, zegt Wim Kieft.

Het horloge

De bondscoach zit in de ontbijtzaal aan een van de grotere tafels, samen met de rest van de staf. Eromheen tafeltjes met elk drie of vier spelers. De sfeer is ontspannen.

Van Aerle schuift aan bij een van de tafeltjes. Brood, kaas, melk, jus d’orange, een eitje. Er is een Nederlandse kok mee. Je bent in Duitsland en je weet maar nooit.

Je bent in Duitsland en je weet maar nooit.

Nog voor de gewonnen halve finale tegen Duitsland had Gullit teammanager Akemann eropuit gestuurd cadeau te kopen voor Michels, van wie al vaststond dat hij na het toernooi zou vertrekken. Een horloge, met inscriptie. Het mocht gerust een paar duizend gulden kosten.

Gisteravond hebben ze het hem gegeven, het horloge. Gullit nam het woord toen de groep bij elkaar was in een zaaltje van het hotel. Hoe ze de trainer bewonderden, dat zei hij. Dat ze hem wilden bedanken voor de tijd samen, wat voor een prachtige ervaring het was geweest, zelfs als de finale verloren zou gaan. Toen kwam het uurwerk tevoorschijn. Op de achterkant: Bedankt, de groep Euro ’88.

Als Michels spreekt, kruipt zijn benepen stem over tafel. Slechts zelden heb je het gevoel dat hij zich helemaal opent, maar Van Aerle en de anderen hadden hem gisteravond wel degelijk zo gezien. Michels nam het horloge aan, keek ernaar, zijn keel ging op slot. Ik zal het altijd dragen, zei hij. En daarna dat hij zijn vrouw wilde spreken. Huilend belde hij haar vervolgens vanaf zijn hotelkamer. Wat de jongens toch voor hem hadden gedaan.

Ja, er is veel veranderd sinds die moedeloos klinkende retorische vraag in Noordwijk. Na de verloren openingswedstrijd tegen de Sovjet-Unie was de halve finale bereikt door twee factoren: Eén: Marco van Basten. Twee: geluk. Tegen Engeland (3-1) maakte de spits er drie, terwijl de Engelsen drie keer de paal of lat raakten. Tegen Ierland (1-0) kopte Paul McGrath op de paal. Acht minuten voor tijd caramboleerde een mislukt afstandsschot van Ronald Koeman via het hoofd van Kieft op wonderbaarlijke wijze in het doel. Daardoor hoefde Oranje nog niet naar huis. Daardoor was Duitsland de volgende tegenstander.

De finale was dinsdag al gespeeld. Zo voelden veel Nederlanders het. Van Aerle belde eerder deze week naar huis. Zijn vader vertelde hem over de uitzinnige taferelen op straat. De overwinning op West-Duitsland, vlak voor tijd en op hún grondgebied, had de anders zo nuchtere Nederlanders in lantaarnpalen doen klimmen, toeterend de snelweg over laten gaan, wildvreemden laten knuffelen.

Maar het had ook iets met de spelersgroep gedaan, merkt Van Aerle als hij deze ochtend bij het ontbijt om zich heen kijkt. Niet alleen hij is ontspannen, niet alleen hij heeft goed geslapen. Alle twintig zijn ze op hun gemak. Er wordt gelachen.

Nu de Sovjet-Unie nog. Toen Michels gisteravond wegliep om zijn vrouw te bellen, draaide hij zich bij de deur nog even om. Hij zei: Als jullie morgen verliezen, geef ik dat klokkie terug.


Tien uur. Over vier uur zullen ze het stadion binnenlopen, nu eerst een wandeling. Onderweg ergens een tussenstop voor koffie en gebak. Het is bewolkt, droog, vijftien graden.

Barry

De eerste poulewedstrijd, zondag 12 juni, de 62e minuut. Omdat de bal helemaal aan de linkerkant van het veld was, trok Van Aerle naar binnen. Ik moet Wouters rugdekking geven, dacht hij. Juist op dat moment vertrok de bal van de voet van Belanov, door de lucht naar de overkant van het veld. Van Aerle keerde zich om en zag dat de bal bij Rats belandde, die vanaf de punt van het strafschopgebied uithaalde. Van Aerle sprong wel in, maar de afstand was te groot, de ruimte om te schieten te riant. De bal schoof naar de verre hoek. Het was zo’n bal waarvan je bij het verlaten van de schoen al weet dat hij doel gaat treffen.

Zo kwam het dat Nederland beter was, maar toch verloor van het team dat vanmiddag weer de tegenstander is.

Uit 1988 - Wij hielden van Oranje van Auke Kok:

De spelers zaten in een U-vorm, Michels zat tegenover de opening van de U. Afgesproken werd dat de fouten in de eerste ontmoeting met de Sovjet-Unie niet zouden worden herhaald. Het middenveld zou wat meer teruggetrokken spelen en Van Basten en Gullit zouden steeds voorin blijven om de Russen zo te dwingen minstens twee verdedigers achterin te houden.

Ook kwam Michels nog even terug op het horloge dat hij had gekregen. ‘Jullie hebben bij mij een snaar geraakt waarvan ik het bestaan niet afwist’ zei hij. ‘Het mooiste afscheidscadeau is echter de titel.’ Met de Europese beker zouden de spelers zichzelf een geweldige dienst bewijzen, zei hij: ze zouden eindelijk verlost raken van de bewering dat vroeger alles beter was.

Niet dat dat de bespreking van Michels, om 11:00 precies, tot een woordenwaterval maakt. Het gaat als altijd: Michels schrijft afkortingen op het bord - linksboven: BvA - en spreekt de namen uit als een bemoedigende, maar opruiende stomp tegen de schouder. De bondscoach draait zich naar Van Aerle en kijkt hem aan. Barry!, zegt hij. Meer niet. Van Aerle is eraan gewend dat zijn voornaam verhaspeld wordt door Michels. Hij weet ook wat het betekent: uitleg overbodig, je weet wat je moet doen.

Assistenttrainer Nol de Ruiter doet de spelhervattingen. De hoekschoppen, van links en rechts, voor en tegen, de vrije trappen. Wie waar dient te staan op welk moment. Bij corners voor Oranje blijft Van Aerle achterin staan, zo is het lang geleden al afgesproken. Zo kunnen Rijkaard en Van Tiggelen naar voren en moet elke counter van de tegenstander alsnog langs Turbo Berry zien te komen.

Dan loopt Michels één voor één langs zijn spelers. Hij staat voor Van Aerle. Geeft hem een hand. Het voelt stevig, vastberaden. Michels kijkt Van Aerle recht in de ogen. Hier staat een coach die meer kan zeggen met een handdruk dan met pijltjes die looplijnen moeten uitleggen.

Dat hoeft ook niet.
Ze weten wat ze moeten doen.
Ze weten wie de tegenstander is.
Ze weten wat ze de vorige keer fout deden.
Ze weten dat ze 1974 kunnen uitwissen.

Ze weten dat ze 1974 kunnen uitwissen. Foto Bert Verhoeff / Nationaal Archief

trauma

De uren verglijden, de klok tikt af. Er wordt gegeten: aardappelpuree, wat groenten, een biefstukje. Van Aerle zoekt het bed van zijn hotelkamer op, rust wat, luistert muziek.

Golden Earring, dat is zijn groep. Als hij van zijn huis naar het Philips Stadion rijdt, luistert hij altijd naar een live uitvoering van ‘Radar Love’, waarin het nummer wordt uitgesponnen tot het zeventien minuten lang is. Als alles meezit, is het nummer precies afgelopen als het stadion in zicht komt. Ook bij interlands is dit de muziek die hem kan oppeppen: van eigen bodem, met lange solo’s die langzaam opbouwen naar een hoogtepunt.

Hij wacht tot hij zijn tas kan inpakken en ermee naar de bus kan lopen. Het zal een klein stukje zijn van het hotel naar het Olympiastadion.

No more speed, I’m almost there.

Het is het shirt van je land

Terwijl de bus de parkeerplaats van het Olympiastadion op draait, kijkt Van Aerle naar zijn arm. Kippenvel. Het stadion ligt in het Duitse park uitgegraven, alsof er een perfecte, elipsvormige krater is geslagen. Een groene rechthoek van gras in het midden van een oranje sintelbaan. Het dak hangt als een spinnenweb over de helft van de tribune.

Maar het is niet het stadion dat hem kippenvel bezorgt. Buiten, voor het stadion, staan al duizenden Nederlanders. Ze zijn bijna allemaal in het oranje, zwaaien met oranje vlaggen met zwarte leeuwen erop. Van Aerle stapt drie treden omlaag en staat dan in München. Het stadion in, de sintelbaan over, langs de lange zijde van de tribune. Ook binnen ziet alles al Oranje. Het is anderhalf uur voor de wedstrijd. Hij gaat naar binnen, zet zijn tas in de kleedkamer en loopt meteen weer terug, het veld op.

Om even het veld te controleren, heet het. Officieel. Hij hoort even langs ‘zijn’ rechterkant te lopen, het gras te voelen, zoals Van Breukelen op zijn beurt het strafschopgebied inspecteert. Maar Van Aerle kijkt omhoog, de tribune op. Hij weet niet precies wie hij zoekt, de spelersvrouwen zitten nog niet. Maar: bekenden. Vrienden uit Helmond. Hij weet dat ze er zijn en ongeveer in welk vak ze zitten. Familie, vrienden, mensen van vroeger. PSV-supporters. Ontwaart hij daar een roodwitte vlag, een Eindhovens shirtje?

Hij kijkt. Knijpt zijn ogen bij elkaar, maar herkent niemand. Ze zitten er, dat wel. Ze zijn er ook voor hem.

Dan de blik op het gras. Hij vindt dat het er goed bij ligt. Op sommige velden of op de training kiest hij soms voor schoenen met ‘rubbers’, maar meestal speelt hij op schroefnoppen. ‘Pinnen’, noemen ze die in de kleedkamer. De Adidas World Cups met pinnen, die trekt hij straks aan.

Van Aerle kijkt nog eens naar al die mensen, ze zijn er al met tienduizenden, en loopt dan op zijn gympies terug, de catacomben in, naar de kleedkamer.


Harry Vermeegen interviewt Van 't Schip.

Het shirt van het Nederlandse elftal is glad, voelt glad. Hij weet dat het er voor de buitenstaander niet zo uit ziet: de schubben in het oranje doen van afstand aan als een diep reliëf. We lijken net goudvissen zo, zei Van ‘t Schip eerder tijdens het toernooi in een interview met Harry Vermeegen. We winnen wel ermee, dus ja, we houden ‘m nog even aan.

Misschien maakt John zich er druk om, had Van Aerle gedacht, maar ik niet. Het is het shirt van je land. Je mag het dragen. Daarmee uit.

Het polyester valt soepel om het lijf van Van Aerle als hij het shirt over zijn hoofd trekt. Het witte boordje om zijn nek, de drie witte strepen die over zijn schouder lopen. Dan het broekje: normaal gesproken wit, maar nu ook oranje om het verschil met de Russen, die volledig in het wit gestoken zijn, groter te maken. Zijn nummer, een zes, groot en wit in de rechteronderhoek.

Van Aerle is Van Aerle, ook vlak voor de finale. Hij voelt geen echte zenuwen, hoeft niet vijf keer naar het toilet. De groep is ontspannen, dat merkt hij. Ze geven elkaar een schouderklopje, wensen elkaar succes. Geniet ervan, zegt Michels in hun midden.

Het is het shirt van je land. Je mag het dragen. Daarmee uit.

Met een trainingsjasje over het shirt loopt de ploeg vijf minuten voor het begin van de wedstrijd de trap op, richting het veld. Van Aerle heeft Gullit voor zich, Van Basten achter zich. Naast hem, in het blauw, Rinat Dassajev, bijnaam Het IJzeren Gordijn, misschien wel de beste keeper van de wereld. Zijn linkerhand heeft beide handschoenen vast, de rechter is nog bloot.

Het is zomer, dat ruiken ze. Iets kouder dan twintig graden. Op de tribune rolt een enorme rood-wit-blauwe vlag over de hoofden naar beneden.

Drie minuten later. Bij Berry van Aerle ontsnapt heel even zijn tong aan zijn mond op het moment dat de camera voor hem langs glijdt. Opperste concentratie in zijn blik. Hij hoort het volkslied, het wordt gespeeld door het orkest achter hem, in de middencirkel. Hij kijkt vooruit, ziet Michels, de rest van de staf, daarboven de tribune.

Wilhelmus van Nassouwe, ben ik van Duitsen bloed. Van Aerle kent de tekst, maar zingt niet mee. Gullit wel, links van hem. Gullit is de aanvoerder, de man die het team bij elkaar houdt, met de pers praat, Michels een horloge van duizenden guldens in handen geeft. Gullit is de Amsterdammer die nooit voor Ajax, maar wel voor PSV uitkwam, degene die voorkomt dat er een kloof ontstaat tussen de hoofdstedelingen en de ‘provincialen’. De sfeer is goed - iedereen roept het steeds, eigenlijk sinds het begin van het toernooi. Van Aerle weet dat ze dat voor een groot gedeelte aan Ruud te danken hebben. Dan, terwijl de camera erlangs gaat, de rest van de basiself: Van Basten, Vanenburg, Wouters, Rijkaard, Ronald Koeman, Mühren, Erwin Koeman, Van Tiggelen, Van Breukelen.

Den vaderland getrouwe, blijf ik tot in den dood. Na elf interlands kent Van Aerle het tafereel. Toch is het weer bijzonder.

Een prinse van Oranje, ben ik vrij onverveerd. Hoger dan voor je land spelen kun je niet komen. Het is een cliché, maar Berry van Aerle is er niet om clichés te ontwijken.

Den Koning van Hispanje, heb ik altijd geëerd. Nog voor de laatste zin is gezongen, rolt het gejuich van de tribunes.

Het is hetzelfde stadion als veertien jaar geleden,
dezelfde datum als tien jaar geleden.
Plaats en tijd van twee verloren WK-finales komen samen, en hier staan ze weer.

Gullit knikt niet, hij sláát

Berry van Aerle begint de finale niet goed. Zijn eerste bal is een simpel passje van Ronald Koeman, maar de bal rolt onder zijn World Cups door - over de zijlijn. Toch die wedstrijdspanning.

De Sovjet-Unie is sterker zoals Oranje in de eerste wedstrijd sterker was. De tegenstander speelt vooruit, zoekt het strafschopgebied, is gevaarlijk. In de eerste tien minuten heeft Nederland weinig in te brengen. Het team is zoekende, lijdt balverlies. Van Aerle moet het doen met een balletje op Vanenburg, een overstapje en een inworp. Wanneer hij zich in de minuten daarna meer in de wedstrijd heeft gespeeld, ligt hij plotseling op het gras. Een forse tik op zijn ribbenkast brengt hem terug naar de halve finale van de Europa Cup I, tegen Real Madrid. Toen kreeg hij een schoen van Hugo Sánchez in z’n borstkas bij het wegkoppen van een bal. Hij voelt dezelfde pijn, heeft verzorging nodig, schreeuwt het uit.

Van Aerle staat op. Het gaat weer, zegt hij tegen de verzorgers die voor hem het veld in zijn gerend.

Het is 16:01 uur, de 31e minuut. Erwin Koeman trapt een hoekschop van rechts, die bij de eerste paal wordt weggewerkt en terugrolt naar zijn linkerschoen. De oudere van de twee Koemans krult de bal tegen de uitlopende spelers in. De Sovjets kiezen voor de buitenspelval, maar die mislukt. Marco van Basten helt achterover, laat de bal op zijn hoofd vallen. Dit is het. Van Aerle ziet Ruud Gullit zich klaarmaken. De aanvoerder knikt, nee: sláát de bal met het hoofd. Zijn dreadlocks slingeren naar voren.

Het net bolt. Sovjet-Unie - Nederland: 0-1.

UdSSR-Niederlande 0:1

Het is opeens een andere wedstrijd, de duels worden feller. Oranje wint aan zelfvertrouwen, Van Aerle zelf ook.

Rust.

De pirouette van Dassajev

Na vier minuten in de tweede helft trekt de Franse scheidsrechter Vautrot zomaar geel. De kaart zwaait voor de ogen van Van Aerle. Hij is degene aan de buitenkant van het muurtje bij een vrije trap voor de Russen, omdat hij degene is die het snelst kan uitlopen. Stond de muur niet op afstand, stapte hij te vroeg in?

Ik? vraagt hij, en hij prikt een vinger in zijn oranje shirt. Geen reactie. Oppassen, denkt Van Aerle, want deze man houdt niet van praten. Misschien was die vraag al te veel. Nog een kaart en hij mag naar de kant. Hij slikt zijn verongelijktheid in.

Dan de 54e minuut. Een inworp van Van Aerle komt bij Gerald Vanenburg, die teruglegt op de voor hem zo vertrouwde verdediger. Van Aerle ziet de Russen de druk opvoeren en besluit in één keer naar voren te rammen. Daar pikt de Sovjet-Unie de bal weer op, maar het bouwen aan een nieuwe Russische aanval gebeurt onzorgvuldig: Van Tiggelen kan rond de middenlijn onderscheppen. Hij loopt met de bal op, de ruimte in, tot vlakbij het strafschopgebied. Dan legt hij naar links, waar Arnold Mühren is meegelopen.

De voorzet van Mühren is slecht. Dat denkt iedereen. Michels ziet een countermogelijkheid verloren gaan en verzucht wat doet die nou? tegen De Ruiter. Van Aerle ziet de bal in de verte voor hem langs gaan, van links naar rechts, tot bij de achterlijn, en denkt hetzelfde.

Totdat de enkel van Van Basten, die enkel die in de kleedkamer zo is ingetapet, die vastzit in zijn rechterschoen, de enkel die hem het voetballen nog eens zal beletten, totdat die enkel, die verdomde enkel, stijf als hij is, de voet naar de bal tilt. Van Basten neemt de voorzet van Mühren in één keer op zijn schoen, Dassajev stapt net naar voren omdat hij een voorzet verwacht. Ziet de bal op hem af komen - nee, over hem heen gaan, de Russische keeper is kansloos, maakt een pirouette in een wanhoopspoging, zijn rechterhand in de lucht, als hij er een corner van zou kunnen maken, dan, dan, maar ook dat lukt niet, de bal suist over het IJzeren Gordijn heen en wordt achter hem gevangen door het net.

Van Aerle ziet Vanenburg als eerste. Hoe die vol ongeloof staat te kijken, een hand voor zijn mond slaat. Dit zou niet moeten kunnen. Dan sprinten ze samen naar de sintelbaan, waar Van Basten heen is gelopen. Van Aerle loopt haaks op hem af, probeert het shirt van de doelpuntenmaker te grijpen, maar krijgt hem niet te pakken. De spits rent langs iedereen, houdt één hand in de lucht, lacht gelukzalig.

Rijkaard heeft hem als eerste, dan Wouters. Van Basten houdt stil. Vanenburg erbij, Gullit. Dan Van Aerle. Ze staan nu in een kringetje, het ongeloof is nog steeds te zien in alle ogen. Het geluid van de tribune is oorverdovend - Van Aerle ziet Wouters iets zeggen, iets vragen, maar hoort het niet.

Hij ziet Van Basten gebaren: ik weet het niet. Ik weet het niet.

UdSSR-Niederlande 0:2

Europees Kampioen word je als ook het geluk met je is. Belanov raakt de paal en mist vlak daarna ook nog een strafschop, nadat Van Breukelen hem met een vinger onder zijn oog duidelijk heeft gemaakt dat hij al weet in welke hoek de bal geschoten gaat worden. Van Aerle denkt tijdens het laatste half uur van de wedstrijd steeds twee dingen, herhaalt ze in gedachten, als een mantra.

We gaan het halen.
Scherp blijven.

Ondertussen loopt de klok richting het laatste fluitsignaal.

We gaan het halen.
Scherp blijven.

Bij de reservebank zijn de andere jongens alvast gaan staan.

De Coupe d’Europe

Berry van Aerle speelde elke minuut van het EK ’88. Hij was 450 minuten lang de rechtsback van het Nederlands Elftal dat op 25 juni van dat jaar, om tien voor half zes, Europees Kampioen werd. Van Basten had de bal op dat moment bij de middenlijn aan de voet, draaide en stuitte op scheidsrechter Vautrot. Die floot, en bukte tegelijkertijd om de bal op te pakken. Gullit zocht Van Basten op, Michels zijn assistent. Buiten beeld viel Van Aerle in de armen van Rijkaard.

Nooit was hij de eerste. Hij was de tweede die bij Van Basten was na diens goal tegen West-Duitsland, de tweede die voor de finale het veld op was gelopen, de tweede die in beeld kwam tijdens het Wilhelmus. Hij was Buzz Aldrin.

Hij liep wel mee met de rest toen Michels na de gewonnen finale werd opgetild, maar de bondscoach rustte niet op zíjn schouder. En toen de ploeg later op de tribune zat voor de foto, de knieën opgetogen op en neer zoals kleine kinderen doen, stond de beker niet tussen zíjn voeten, maar bij Wouters, naast hem.

Van Aerle hoefde de voorste ook niet te zijn. Zijn plek tussen de anderen was genoeg. Het shirt dragen was genoeg. De hand van zijn trainer na de wedstrijdbespreking, de blik in diens ogen. Het vertrouwen. De vreugde in de kleedkamer. De dag erna een rondvaart in het centrum van Amsterdam, waar Van Aerle in zijn hele leven nog nooit geweest was - dat was allemaal ruim genoeg.

Als vanzelf gleed de beker naar het lege paar handen.

Daarom liep hij om vijf voor half zes ook als tweede de tribune op, waar UEFA-voorzitter Jacques Georges en bondskanselier Helmut Kohl klaarstonden met de hoofdprijs. Daar aangekomen keek hij ongeduldig over de schouder van Gullit, links, rechts, weer links, en toen wachtte hij tot zijn aanvoerder de glimmende Coupe d’Europe omhoog hield. Het gejuich, de duizenden vlaggen in rood-wit-blauw en oranje. Van Aerle applaudisseerde, stak zijn handen zo hoog mogelijk de lucht in.

berry-met-beker

Toen draaide Gullit zich om. Als vanzelf gleed de beker naar het lege paar handen dat hij daar tegenkwam. Plotseling had Van Aerle het ding vast. De camera had alweer aandacht voor iets anders. Thuis zagen ze het niet, maar de Helmonder lachte schalks toen hij de beker de lucht in hield. Hij keek naar rechts. Daar moesten de Helmonders ongeveer zitten.

Hij had ’m vast. Het was echt.

Ook Berry van Aerle was Europees Kampioen.

Epiloog

Berry lacht het laatst Berry van Aerle speelde na het EK van 1988 nog 24 interlands. Met PSV won hij tussen 1989 en 1992 nog eens drie landstitels en twee keer de nationale beker. Hij verliet zijn grote liefde in 1994, waarna hij nog één seizoen voor Helmond Sport speelde, waar hij op de fiets naartoe kon. Een versleten knie dwong hem in 1996, op 33-jarige leeftijd, een punt achter zijn carrière te zetten. Hij werd postbode. In 2001 keerde hij terug bij PSV, eerst als supporterscoördinator en vanaf 2008 als scout. Bij hem thuis hangt het shirt van het EK ’88 met rugnummer 6 nog, ingelijst. Nog dierbaarder voor Van Aerle is de ingelijste foto van het moment dat hij de beker omhoog houdt: dat aandenken kreeg hij van zijn ouders, die vijf jaar na ’88 binnen een maand tijd allebei overleden.