Stel u voor dat alle uitgevers in Nederland opnieuw kunnen beginnen. Alle schrijvers verscheuren hun oude contracten en bieden zichzelf op Marktplaats.nl aan. De uitgevers mogen tegen elkaar opbieden. Wie denkt u dat het eerste weg zouden zijn? Wie denkt u dat er na 28 dagen, de normale looptijd van een aanbieding op Marktplaats, nog niet opgekocht zijn? Ik hoef niet te zeggen wie er wegvliegen, maar ik weet wel zo drie essayisten die ik heel hoog schat en die, vrees ik, zieligjes geen enkel bod zouden krijgen. Misschien zouden de essayisten wel eens aangeklikt zijn door een uitgever met destructieve neigingen, maar de wetenschapsschrijvers zouden zelfs die kleine troost niet eens krijgen.
Nu ga ik verder met mijn gedachtenexperiment. Ik stel voor Conny Palmen en Nelleke Noordervliet in tweeën te knippen. Dat is niet aardig, maar ik doe het toch. De ene helft is de romanschrijver, de andere helft de essayist. We bieden de twee dames in vier stukken aan op Marktplaats. Welke helften vliegen weg, welke helften blijven marktdochter? Men hoeft geen cassandra te zijn om dat te kunnen voorspellen.
Het essay is ondergewaardeerd. Er staan geen uitgevers te trappelen om een essayschrijver in hun stal te krijgen. Hoewel er enige publiekstrekkers onder de essayisten zijn, als Geert Mak, Douwe Draaisma en Auke van der Woud, is de essayist over het algemeen een stiefkind in uitgeversland. Waar is het grote publiek voor Piet Meeuse, Arnold Heumakers, Cyrille Offermans? Gewaardeerd en gelezen in hele kleine kring, zijn de meeste beroepsessayisten afhankelijk van subsidies en wat zakgeld via lezingen voor de Stichting Schrijvers School Samenleving. Uit barre nood gaan ze vaak het vertaalcircuit in.
Ik knip nog even door. Frits van Oostrom in tweeën. Eén deel zijn essayistisch verslag van onderzoek naar de Middeleeuwen, een ander deel zijn wetenschappelijke artikelen. Frits Een wordt tegen een zuinig bedrag opgekocht door uitgever X, Frits Twee blijft onverkocht. Ook Gerard ’t Hooft, de Nobelprijswinnaar, knip ik in tweeën. Hij heeft in een paar boeken zijn natuurkundige inzichten voor jan en alleman verklaard. Maar noch op zijn wetenschappelijke helft, noch op de andere komt een uitgever af.
Nog veel lager in de waardering dan het essay staat het wetenschappelijk proza. Arme onderzoeker die een proefschrift geschreven heeft en dat gepubliceerd wil zien. Hij moet de fondsen af om een paarduizend euro bij elkaar te krijgen. Uitgevers Verloren en Vantilt drukken wel, als er tenminste betaald wordt en het proefschrift niet al te marginaal is. Arme senioronderzoeker die een mooie case uitgezocht heeft nu hij eindelijk tijd heeft voor diepgaand onderzoek, en dan tot zijn verbijstering merkt dat de uitgever die vroeger zijn werk begerig uitgaf hem niet meer wil.
Nu kan de wetenschappelijke onderzoeker natuurlijk niet veel kanten op. Zou je zeggen. Die heeft de mogelijkheden niet die een essayist nog wel heeft. Zou je zeggen. Die kan niet zonder een notenapparaat en die mag zijn betoog niet onderbreken voor een uitweiding die niet in de systematiek van het boek hoort. Zou je zeggen. Als die een proefschrift schrijft is de noodzakelijke volgorde van het eerste hoofdstuk het exposé, de hoofdvraag en de subvragen, de historiografie en de samenvatting van de hoofdstukken. Zou je zeggen.
Ik wil een pleidooi houden voor het opschuiven van de grenzen van het wetenschappelijk proza. De Berlijnse muur tussen de roman en het essay is al afgebroken door schrijvers als Atte Jongstra en Kees ‘t Hart, door Multatuli en Tolstoi. Nu nog die tussen het essay en de wetenschapstekst.
Laat ik eerst eens een inventaris maken van de gemiddelde wetenschapstekst. Het doorsnee proefschrift uit de bètahoek is in polder-Engels geschreven en bevat het verslag van een aantal experimenten. Ik heb er hier één voor me liggen over de invloed van kortgolvig licht op de interactie tussen stoffen die door licht giftiger worden en organismen die licht als energiebron nodig hebben. Geen moment komt de persoon van de onderzoeker erin naar voren. Ik weet niet waarom de schrijver zich in het kortgolvig licht verdiepte, ik weet niet hoe hij omging met mislukte proeven, ik weet niet eens of hij ze zelf uitvoerde of dat hij assistenten had. „Under standard laboratory light conditions”, schrijft hij, zijn de meeste PAH’s niet giftig. „However, a number of PAHs have been found to be acutely toxic to aquatic organisms (…)”. Heldere taal, ook voor de alfa die ik ben. Maar weet ik nu welke lichtcondities er in zijn laboratorium waren? Wie heeft de giftige PAHs gevonden? Was er opwinding toen de onderzoeker ze ontdekte? Alles is in de onpersoonlijke lijdende vorm geschreven: er werd geobserveerd, er is ontdekt, er wordt verwacht dat. Alleen de processen en de stoffen zelf komen in de bedrijvende vorm voor: de PAHs hoopten zich op, UV vermeerderde de giftigheid.
Natuurlijk hoeft een bioloog geen begenadigd stilist te zijn, en hoeft hij zijn onderzoek niet als een persoonlijk dagboek te presenteren. Het is eerlijker om te kijken naar artikelen uit een tijdschrift met een erkend wetenschappelijke status, uit een hoek waar aardige stilisten te vinden zouden kunnen zijn. Ik weet wel dat een kankerspecialist geen kanker hoeft te hebben om die te kunnen behandelen, maar een schrijver over literatuur moet toch op z’n minst een hobbelvrije zin kunnen produceren. Ik neem het vaktijdschrift voor Neerlandici in handen, Nederlandse letterkunde. Ik bekijk een artikel over Constantijn Huygens. Het begint zo: „De ondertitel van deze bijdrage is dezelfde als de hoofdtitel van een stuk dat een van ons beiden eerder publiceerde in het Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis. Dat is vanzelfsprekend geen toeval: deze nieuwe bijdrage biedt een concrete illustratie bij de methodologische bespiegelingen die in het eerdere stuk aan de orde waren en die in het Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis de vorm aannamen van een beknopte inleiding op het denken van de Amerikaanse literatuurwetenschapper Jerome Mc Gann.” Ja, dat is pas een opening: beginnen met jezelf, met een volkomen overbodige uitleg die in een noot thuishoort, met een letterlijke herhaling van de lange boektitel, alsof ze aandelen in dat Jaarboek hebben. Waarom zou je verder lezen?
Maar het kan nog erger, zoals in een artikel over de aandacht voor niet-westerse schrijvers. Dat begint zo: „Globalisering behoort tot de populairste onderwerpen in de sociale wetenschappen, ook al ontbreekt er een consistente definitie van het fenomeen. (…) De belangrijkste theoretische vertrekpunten benadrukken ofwel de culturele ‘homogenisering’ door het imperialisme van westerse multinationals, ofwel het vermogen van locale actoren om de mondiale culturele producten een hybride culturele vorm te geven.” Het staat me zo tegen het schuurpapieren proza dat daarop volgt te citeren, dat ik dat dan ook maar niet doe. Dit soort openingen zijn standaard. Iets heeft veel of weinig aandacht gekregen, iets is populair en zo’n begin moet voldoende zijn om de lezer uit te nodigen verder te lezen. Zelden is er een pakkende beginzin, die meteen duidelijk maakt waar het artikel over gaat. Dertig jaar geleden klaagde Karel van het Reve over de onleesbaarheid van de literatuurwetenschap, en hij mag zich al dan niet in zijn urn omdraaien, het is er niet beter op geworden.
Voor de dissertaties uit de alfahoek geldt hetzelfde. Ze beginnen doorgaans met een lang citaat, geven een hoofdvraag die duidelijk na het onderzoek gesteld is, vervolgen met geneuzel over wie er nog meer over het onderwerp heeft geschreven, sommen de inhoud op en verwachten dat je dan doorleest. Een dissertatie over opvattingen over ‘de ware dichter’ begint met dit citaat: „De ware dichter is een abstractie, en daarom een fictie.” Waarom in godsnaam een proefschrift schrijven als de ware dichter toch niet bestaat? Het begin zou nog kunnen werken als een kieteling, maar die genereuze gedachte vervliegt snel als de onderzoeker vervolgt: „In het in 1838 in de bundel Onderzoek en phantasie gepubliceerde ‘Gesprek op een Leidschen buitensingel’, een klassieke dialoog in travestie, neemt Jacob Geel (1789-1862) de lezer mee op een wandeling met de jonge dichter Melissus.” Driemaal ‘in’ binnen vijf woorden, daarna een beknopte bijzin met daarin nog een bijstelling gewrongen. Jacob Geel mag de lezer meenemen, de auteur van dit proefschrift doet dit zeker niet.
Ik kan mijn bewering over de bètastijl nu dus uitbreiden: het doorsnee wetenschappelijk artikel of boek van álle disciplines is in krassend proza geschreven, het mist enige demonstratie van persoonlijkheid en het gebruikt geen enkel retorisch middel om de lezer te binden. Moet dit dan? Jazeker, ook voor de wetenschap is stijl een bewijs van beheersing, is inzet van de persoonlijkheid een bewijs van een kritische instelling en is het gebruik van retorische middelen gewoon een bewijs van vakmanschap.
Maar hoe staat het er dan voor met bekende wetenschappers die naam hebben gemaakt, en die wel prat mogen gaan op een redelijke oplage van hun boeken? Zetten die zichzelf in, gebruiken ze retorica, is hun stijl meesterlijk?
Ik denk dat er verschillende categorieën succesvolle publieke wetenschappers zijn, die allemaal gemeen hebben dat ze stijl hebben. De een zet zich nadrukkelijk persoonlijk in, de ander is wat neutraler aanwezig, maar hij is wel herkenbaar als gids. Retorische middelen gebruiken ze allemaal, al is de een overdadiger dan de ander. Nog een overeenkomst is dat ze niet experimenteel zijn. Ze mengen geen genres, ze doorbreken de opbouw van hun betoog niet, ze doen niets onverwachts. Vijf categorieën wetenschappers met publiek succes kan ik aanwijzen: de soberman, de mooischrijver, de wildeman, de brombeer en de knuffelaar.
Auke van der Woud hoort bij de sobere schrijvers. Ik wil niet zeggen dat er geen woord te veel in zijn boeken staat, maar er staat geen versierend woord in dat alleen om het effect toegevoegd is. Zo begint hij een hoofdstuk: „Precieze cijfers ontbreken, maar het staat wel vast dat de Nederlandse bodem rond 1800 voor ongeveer een derde deel uit woeste grond bestond.” In glashelder proza, zonder enig jargon, in een prettig gegoten zin geeft hij drie feiten met de nodige relativering weer. Bij Abram de Swaan zie je ook zo’n heldere stijl zonder verfraaiingen, zonder dat die armoedig wordt.
De mooischrijver komt in veel gedaanten voor. Hij kan een fijnschilder zijn als Frédéric Bastet was, of een barokkunstenaar zoals Herman Pleij is, maar altijd gebruikt hij veel woorden om nuances in zijn beweringen aan te brengen. Pleij werkt daarbij vooral met contrasten, bijvoorbeeld als hij een beschrijving geeft van een alternatieve preek: „Verkleed als priester beklimt een feestvierder de kansel, om meteen te beginnen met de bijna verplichte woordspelingen op het gebied van seks en stront door de preekstoel als gebruikelijke betoogplaats meteen te vervangen door het privaat.”
Dan is er de wildeman. Die is zo geestdriftig over zijn eigen vak dat hij de nuance vergeet en de wetenschap met zichzelf op de loop laat gaan. Hij maakt gekke sprongen, en gedachtenkronkels die niet-ingewijden soms boven de pet gaan, maar die op de een of andere manier toch zo aanstekelijk zijn dat hij een groot publiek bereikt. Vincent Icke is zo iemand. Hij wil uitleggen dat elektronen onderling identiek zijn en dat ze daardoor prima experimenten opleveren. Om dat te demonstreren begint hij zo: „Twee hamsters kun je met de helft van de lichtsnelheid op elkaar laten botsen, maar de uitkomst van die proef zal moeilijk te interpreteren zijn. Dat merk je wanneer je het experiment een honderdtal malen herhaalt: de resultaten zijn nooit dezelfde (…). Nooit doen biologen zo’n hamsterproef. Niet zozeer uit deernis met de hamsters, want er gebeuren soms dingen in de experimentele zoölogie die ik niet van sadisme kan onderscheiden, maar omdat je er geen biologie van leert.” Ik herinner me een stukje van hem waarin hij aan de hand van een boterham en een ei uitlegt hoe het zonnestelsel werkt.
De brombeer onder de wetenschappers is ook populair. Maarten van Rossem. Wie een mening heeft kan op ondermijning rekenen. Over een biograaf die Hitler wat kneuzig voorstelt schrijft hij: „Ik weet ook geen antwoord op de vraag hoe Hitler, de zonderlinge mislukkeling, Führer van Duitsland werd, maar Kershaws verkleiningsstrategie levert in ieder geval niets op.” Wat als heldhaftig voorgesteld is, kleineert hij consequent: „Nu restte de verovering van Duitsland zelf nog. Die zou uiteindelijk, althans voor de westelijke geallieerden, niet zo heel veel voorstellen.” Een zuurpruim is hij nog net niet, maar wel een voorbeeld van de ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’-mentaliteit. Iets dergelijks zie je ook bij Midas Dekkers, die altijd weer de mythe terugbrengt tot iets alledaags.
Volgt nog de knuffelaar. Dat is de wetenschapper, meestal een historicus, die op het gevoel speelt. Die laat merken dat hij en zijn onderwerp een innige relatie aangegaan zijn. Hij gebruikt retoriek, niet zoals de mooischrijver om kunstige zinnen op te bouwen, maar om te ontroeren, te verrassen, te ontwapenen, kwaad te maken. Geert Mak is natuurlijk het grote voorbeeld, maar ook Tijs Goldschmidt en Douwe Draaisma horen erbij. Frits van Oostrom ook, die een driehoeksrelatie opbouwt tussen hemzelf, de lezer en zijn onderwerp. „Beginnen we bij de sonore stem van het Latijn. In die taal zijn ons uit de middeleeuwse Lage Landen volop perkamenten folianten overgeleverd. Zo ongeveer de vroegste cultuurdaad in de Noordelijke Nederlanden is zelfs verbonden met een boek, en nog wel het Boek der Boeken.”
Het zijn allemaal mooie voorbeelden van knappe wetenschappers, die uitmunten in de presentatie van hun materiaal, maar zou het niet nog wat verder mogen gaan? Een experiment met de opbouw veroorlooft geen van de bekende wetenschappers zich. Een spannende uitbouw waarin hij speculeert met ‘wat zou er gebeurd zijn als….’ is voorbehouden aan de romanschrijver, zoals Harry Mulisch. Wanneer overschrijdt een schrijver de grens van het wetenschappelijk essayisme? Mag hij literaire technieken toepassen op een tekst met wetenschappelijke pretenties? Zou hij een onderzoek in de vorm van een roman mogen schrijven? In de vorm van een stripverhaal? Het wetenschappelijk tijdschrift Cell van Elsevier publiceert artikelen als websites, inclusief doorklikmogelijkheden naar interviews met de auteurs en kijkjes in de laboratoria. In het Darwinjaar hebben wetenschappers zich in allerlei bochten gekronkeld om hem toegankelijk te maken: via brieven, via strips. Marjolijn Februari schreef in 2000 een proefschrift dat tegelijkertijd een literair commentaar is. Ik kreeg een oratie van een Amsterdamse hoogleraar psychiatrie toegestuurd als cd: hij begint de rede met een lichte tic die je aan zijn zenuwen toeschrijft, maar die ontspoort naar de nabootsing van een patiënt die totaal de kluts kwijt is. Logicomix is een graphic novel die de zoektocht van Bertrand Russell naar de grondslagen van de moderne wiskunde uittekent en in tekstballonnen beschrijft. Grenzen worden doorbroken, maar mondjesmaat en onder geknarsetand van de serieuze academie.
Ad Lagendijk schreef de Survival guide for scientists, een leerboek voor beginnende wetenschappers. Daarin raadt hij af om de standaardopbouw van een proefschrift te vermijden: „Do not try to be original here. Do not surprise the reader with an original structure.” En hij waarschuwt: „Do not write literature. Do not pretend to be Nabokov.” Het bizarre is dat Lagendijk zich waarschijnlijk niet realiseert dat een wetenschappelijke tekst, hoe droog geschreven ook, toch elementen van de literatuur heeft, en geanalyseerd kan worden met de instrumenten van de literatuurwetenschap. Zelfs de bètaproefschriftschrijver moet allerlei beslissingen nemen die een romanschrijver ook moet nemen: over het tijdsverloop, over het point of view, over de plaats van handeling, over het aantal processen dat hij beschrijft.
Ik had een tante met een mongoloïde zoon. Ze kleedde hem altijd in de duurste maatkleding. „Hij heeft al zo weinig aantrekkelijks van zichzelf”, zei ze dan. Laten we Lagendijk aan onze laars lappen, en emotie, retoriek, mooischrijverij, metaforen en hyperbolen, hersenspinsels en uitweidingen toelaten in de wetenschappelijke tekst. Laten we de wetenschap kleden in de maatkleding van de literatuur.

AEX: 317,06 












