Den Haag, 21 maart. „Kijk, dit krijgen mijn vrouw en ik maandelijks aan pensioen”, zegt Eef de Gier. Hij heeft het keurig op een blocnote geschreven: 1.346,66 euro. „Als ik 10 procent kwijtraak, kan ik wel inpakken. Daar kan ik een hoop boodschappen van halen”. De Gier is 84 jaar en werkte zijn hele leven bij Gist-brocades. Nu draagt hij een protestpetje en demonstreert in Den Haag tegen minister Donner, die volgens hem aanstuurt op verlaging van pensioenen.
Geen onderwerp is zo gevoelig als het pensioen, de voorziening voor de oude dag waar elke werknemer via zijn bedrijf voor spaart. Vijftien jaar lang waren grote wijzigingen in de AOW, het staatspensioen, in Den Haag onbespreekbaar. Het thema dreef het CDA voor het eerst in zijn bestaan in de oppositiebanken (1994), omdat de partij hervorming bepleitte. En PvdA-leider Wouter Bos (‘Met Bos de klos’) brandde er tijdens de laatste verkiezingscampagne zijn vingers aan, omdat hij 65-plussers aan hun AOW wilde laten meebetalen.
De aanvullende pensioenen werden sinds de dotcom-crisis wél ingrijpend aangepast. De pensioenen zijn tegenwoordig niet meer gebaseerd op het laatst verdiende loon, maar doorgaans op het gemiddeld verdiende loon – in de regel een verlaging.
Pensioencrisis
De financiële crisis heeft het maatschappelijk brisante vraagstuk als een onvermijdelijkheid in de politiek teruggebracht. Moet iedereen straks doorwerken tot zijn 67ste? Wordt het pensioen lager? Is er sprake van een pensioencrisis waarbij straks het geld op is voor de bejaarden van morgen en de jeugd opdraait voor de kosten?
De verwarring over het huidige pensioenstelsel is ongeveer even groot als het onderwerp zelf: met de pensioenen is duizelingwekkend veel geld gemoeid en vrijwel iedereen doet mee aan het stelsel. „Van kernfusie begrijpt iedereen dat het ingewikkeld is, maar van pensioenen kennelijk niet”, zegt de Rotterdamse econoom Fieke van der Lecq.
Alle burgers van 65 jaar en ouder hebben recht op een AOW-uitkering afhankelijk van hoe lang ze in Nederland hebben gewoond en meer dan 90 procent van de werknemers is daarnaast bij een pensioenfonds aangesloten (zie kader). Daar wordt het geld beheerd dat maandelijks door werkgevers en werknemers apart wordt gezet. De fondsen met circa 600 miljard euro vermogen worden bestuurd door de sociale partners. De overheid staat op afstand: zij maakt de spelregels en De Nederlandsche Bank houdt toezicht.
Pijnlijke waarheid
Maar de kredietcrisis heeft een pijnlijke waarheid aan het licht gebracht die iedereen aangaat: het pensioen is niet zeker. „Je moet nu eerlijk zeggen: we blijven uw pensioen nog uitbetalen, maar weet wel als het nog twee jaar tegenzit moeten we uw pensioen misschien verlagen”, zegt de Tilburgse econoom Lans Bovenberg. Het is een vervelende boodschap, zegt hij, „maar er zijn geen garanties meer”.
Pensioenen dreigen verlaagd te worden als gevolg van de dramatische vermogensverliezen van pensioenfondsen. Hun verplichtingen zijn daarnaast fors gestegen als gevolg van de gedaalde rente. De meeste pensioenfondsen kunnen niet aan de regels van de toezichthouder voldoen. De pensioenfondsen zijn daarmee afhankelijk geworden van de politiek: hoe grijpt de toezichthouder, in casu minister Donner (Sociale Zaken, CDA), in?
En ook de AOW, het ‘staatspensioen’, staat in zijn huidige vorm ter discussie. De vergrijzing drijft de kosten van de overheid op omdat er niet genoeg werkenden zijn om de AOW van de groeiende groep ouderen te bekostigen. Ad Melkert, minister van Sociale Zaken onder Paars, maximeerde de premie ooit, waardoor steeds meer belastingmiddelen aangesproken worden om de AOW nog te kunnen betalen. Intussen slaat de crisis de overheidsfinanciën dermate uit het lood, dat dit probleem urgenter is geworden. Structurele maatregelen zijn gevraagd om de AOW in de toekomst betaalbaar te houden.
Loonmatiging
Beide pensioenproblemen liggen nu op de onderhandelingstafel van het kabinet dat zich beraadt op crisismaatregelen. Tegelijkertijd hoopt de regering met vakbeweging en werkgevers tot een sociaal akkoord te komen over loonmatiging en investeringen.
Bij loonmatiging komen meerdere problemen samen: beperkte loonstijging betekent een beperkte kostenstijging voor werkgevers en voor de overheid – als grote werkgever en als verstrekker van aan de lonen gekoppelde uitkeringen. Loonmatiging betekent ook minder verplichtingen voor de pensioenfondsen. Dat is ook in het belang van de cao-partijen. Zij komen elkaar weer tegen in de besturen van de pensioenfondsen. De grote vraag voor kabinet en sociale partners is: hoe vangen we de klappen van de crisis op? Het is een complex onderhandelingsspel.
Geld om de huidige gepensioneerden uit te betalen is er genoeg. Jaarlijks wordt 20 miljard euro aan pensioenen uitgekeerd, terwijl er 25 miljard aan premies binnenkomt. Maar dat is onvoldoende, want een pensioenfonds is geen piramidespel. Het moet waarborgen dat ook op de lange termijn voldoende kapitaal aanwezig is. Het overgrote deel van de pensioenfondsen zit in zulke problemen dat bijsturing van minister Donner nodig was. De minister heeft de fondsen onder bepaalde voorwaarden meer tijd gegeven om zich te herstellen, maar het vernieuwde regime – inmiddels goedgekeurd door de Tweede Kamer – ligt gevoelig.
Sociale onrust
„Dit gaan wij niet meemaken”, zegt FNV-bestuurder Jos Brocken beslist. Hij is namens FNV Bondgenoten bestuurder bij twee pensioenfondsen in de metaal die 1,9 miljoen werkenden en gepensioneerden vertegenwoordigen. Hij vreest gedwongen te worden tot draconische maatregelen: verlaging van de pensioenuitkeringen met 10 procent. „Dat gaan wij niet doen”, verzekert de FNV-bestuurder. Zet het kabinet dit door, dan voorziet hij „grote sociale onrust”.
Maar Donner wil niet te veel gokken op stijgende beurskoersen. „We hebben ook verantwoordelijkheid voor komende en jongere generaties”, onderstreepte de minister deze week in een Kamerdebat. De pensioenwet is juist aangescherpt om te voorkomen dat fondsen te veel met lasten en lusten tussen generaties schuiven, stelt de Amsterdamse econoom Arnoud Boot. „De pensioenfondsen zeggen: wacht even, over vijf jaar hebben we alles weer op orde. En wat als blijkt dat het dan niet okay is? Dan is het geld op voor de jeugd en hebben pensioengerechtigden achteraf gezien jarenlang te weinig premie betaald of te veel pensioen ontvangen.”
Het waren overwegend grijze en kalende mannen die vorige week demonstreerden tegen de manier waarop het kabinet met de pensioensector omgaat. Dat lijkt geen toeval. Te snel ingrijpen is een risico voor de ouderen, te langzaam ingrijpen is een risico voor de jongeren. En de achterban van de bonden vergrijst. De vakbonden zijn als bestuurder medeverantwoordelijk voor de tekorten. ‘Nee, uw pensioen komt niet in gevaar’, verzekerde een vakbondsblad zijn leden eind vorig jaar. Maar waarop was dat gebaseerd?
Het probleem is volgens Boot dat sociale partners nog steeds dominant aan tafel zitten, terwijl het risico sluipenderwijs naar de pensioengerechtigden is verschoven. Steeds minder bedrijven verplichten zich bij te storten voor een fonds dat tekort komt. Als duidelijk was gemaakt dat de pensioenuitkering kan stijgen en kan dalen, dan waren de pensioenen volgens Boot nu zonder problemen neerwaarts bijgesteld. „Het Malieveld staat ook niet vol met boze beleggers die hun geld kwijt zijn.” De pensioenfondsen hebben bij hun achterban verkeerde verwachtingen gewekt over een welvaartvast pensioen, vindt de econoom.
Molensteen
Bij de AOW speelt een heel ander probleem. De groep werkenden slinkt de komende dertig jaar van 10 naar 9 miljoen, terwijl de groep 65-plussers in die periode royaal verdubbelt tot 5 miljoen. „De AOW is een molensteen om de nek”, oordeelt Boot. In dit geval gaan de sociale partners er niet over, maar de landelijke politiek. En daar ligt dit zeer gevoelig. De crisis maakt het probleem urgenter, maar schept ook kansen. Aanpak van het probleem pakt telkens electoraal slecht uit. Maar de crisis maakt het weer bespreekbaar.
Nederland loopt achter bij omringende landen. Duitsland heeft de AOW-leeftijd geleidelijk opgetrokken tot 67 jaar, het Verenigd Koninkrijk naar 68 jaar.
In Nederland zit de vakbeweging niet te springen om het optrekken van de leeftijd. „In alle scenario’s moet je beloftes breken”, zegt Boot. Leeftijd doet er eigenlijk niet toe in de moderne samenleving waarin mensen ouder worden, vindt hij. „Schaf de leeftijdsgrens af. Maak de pensioenleeftijd volledig flexibel. Hoe later je de uitkering laat ingaan, hoe hoger die is.”
|
De Algemene Ouderdomswet (AOW) is het traditionele staatspensioen waarop iedere 65-plusser, afhankelijk van het aantal jaren dat hij in Nederland woont, recht heeft. Het is een volksverzekering sinds 1957. Meer dan 90 procent van de werknemers spaart daarnaast bij een pensioenfonds. Het is een zaak van de sociale partners. De opbouw van dit pensioen gebeurt meestal verplicht: de werkgever houdt een premie in en draagt zelf gemiddeld het dubbele van die premie af. De AOW is niet inkomensafhankelijk en lijkt in die zin op de kinderbijslag: of je nu rijk bent of arm, je ontvangt een vast bedrag. Een alleenstaande krijgt maximaal 70 procent van het netto minimumloon ofwel circa 1.000 euro bruto per maand. Gehuwde 65-plussers circa 725 euro per persoon. De premies worden geïnd door de belastingdienst en tegelijkertijd uitgekeerd door de Sociale Verzekeringsbank. Dit zogeheten ‘omslagstelsel’ heeft geen last van fluctuerende aandelenkoersen op de beurs. Geïnde premies worden direct uitgekeerd, er wordt geen vermogen belegd. Maar dit systeem is niet goed bestand tegen de vergrijzing: steeds minder werkenden moeten de uitkering opbrengen van de huidige AOW’ers. Aangezien de inkomsten en uitgaven via de Rijksbegroting lopen, gebruikt de staat steeds meer andere belastinginkomsten om de AOW op peil te houden. De houdbaarheid van de overheidsfinanciën is daardoor in het geding. In tegenstelling tot de AOW belegt een pensioenfonds de maandelijks ingelegde premies voor langere tijd. Hierdoor zijn pensioenen beter bestand tegen de vergrijzing dan de AOW, maar weer slechter bestand tegen inflatie en een financiële crisis. Door de vergrijzing is het moeilijker om pensioenfondsen vermogend genoeg te houden met hulp van hogere premies. De rijkdom van pensioenfondsen is door de vergrijzing afhankelijker geworden van de beleggingsresultaten. |

AEX: 335,11 











