NRC Handelsblad, 9 februari 2001
Twee diplomaten kijken min of meer kritisch terug
Den Haag seint stilte, hypocrisie of teleurstelling
J.M. Bik
Peter van Walsum is 38 van zijn 66 jaren in dienst van Buitenlandse Zaken geweest, de laatste elf jaar daarvan als directeur-generaal politieke zaken, ambassadeur in Duitsland en, in 1999 en 2000, ambassadeur bij de Verenigde Naties en lid van de Veiligheidsraad. Hij kreeg sinds 1989, toen hij DGPZ werd, algemene erkenning als een topdiplomaat, wiens intellectuele gewicht en analytisch vermogen uiteindelijk ruimschoots opwogen tegen zijn levenslange neiging tot het type eigenzinnigheid dat op Buitenlandse Zaken vaak minder wordt gewaardeerd. Zoals hij in eerdere fases van zijn loopbaan had mogen merken.
Verder met Nederland. De kritische terugblik van een topdiplomaat
Peter van Walsum, (Balans, 128 blz. ƒ 29,50)
Voor Buitenlandse Zaken met de koffers op stap. Somtijds ondiplomatieke herinneringen
Pelegrinus, (Ad. Donker, 142 blz. ƒ 29,95)
|
|
Wanneer zo iemand al een paar weken na zijn vertrek komt met 'een kritische terugblik' mag er dus wat worden verwacht. Verreweg de meeste diplomaten schrijven nooit over hun werk, en dat is misschien maar goed ook. Sommigen doen dat wel, maar hadden het beter kunnen laten, hun producten belanden al snel in de hoofdgroep onbeminde winkeldochters. En dan zijn er diplomaten als Van Walsum die een interessante loopbaan, een interessant gedachteleven en een goede pen hebben. Die kunnen als het ware nooit genoeg schrijven.
Helaas, Van Walsum heeft zijn boekje Verder met Nederland niet alleen heel snel, maar ook heel kort gemaakt (128 pagina's). In dat beknopte bestek heeft hij bovendien, zoals hij in zijn voorwoord zegt, het midden gehouden 'tussen memoires en politiek pamflet, met de nadruk op het laatste'. Dat brengt mee dat hij - zoon van een na de oorlog van de CHU naar de PvdA 'doorgebroken' Rotterdamse burgemeester - zich verplicht voelt om in de eerste twee hoofdstukjes (16 pagina's) over christendom en socialisme en over zijn jeugd in Rotterdam te verhalen. Daaraan voegt hij verderop nog een hoofdstukje 'De kerk' toe, waarin hij zijn worsteling met het geloof van zijn vader en familie beschrijft, een worsteling die een ontworsteling wordt. Interessant, maar geen 'kritische terugblik van een topdiplomaat'.
Hiermee is het leed nog niet helemaal geleden, want Van Walsum besteedt ook nog drie hoofdstukken aan De gebeurtenissen van de jaren zestig, Het kabinet-Den Uyl (1973-77) en het Herstel dat daarop volgens hem met het kabinet-Van Agt/Wiegel (1977-81) volgde. In die hoofdstukken maakt Van Walsum, voor wie het nog niet wist, duidelijk hoe groot zijn afkeer was, en blijft, van veel waar Den Uyl voor stond. En hoe groot zijn afkeer is van al die indertijd voor Den Uyl en 'het progressieve' snel omvallende politici en intellectuelen.
Afglijden
Dat klinkt vertrouwd, en het is geen nieuws. Want Van Walsum levert hier een reprise van de stukken waarin hij een kwart eeuw geleden, onder meer in deze krant, al blijk gaf van zijn vrees dat Nederland onder hele of half progressieve leiding niet alleen aan het veranderen, maar ook en vooral aan het afglijden was. Met amateurpsychologie moet worden opgepast, maar je vraagt je hier en daar af, gelet op Van Walsums biografie, of zijn vertogen alleen aan Den Uyl c.s. geadresseerd zijn of wellicht ook nog enigszins aan politieke 'doorbrekers' als zijn vader.
Een voorbeeld. 'Na vier jaar kabinet-Den Uyl was aan onze hele samenleving een steekje los. Uiteindelijk is geen enkel terrein die dans ontsprongen, ook al zijn in de economie de catastrofale indicatoren pas later aan het licht getreden. Ik heb de zomer van 1977 in een staat van grote somberheid doorgebracht, want het leek erop dat God zelf niet meer kon verhinderen dat er een tweede kabinet-Den Uyl zou komen', verzucht hij, hier even zelotisch als zijn overeenkomstig denkende vriend Frits Bolkestein, die in bedoelde periode trouwens ook grotendeels in het buitenland was.
Van de elf hoofdstukjes zijn er dan nog vijf over voor de beloofde kritische terugblik van een topdiplomaat. Die vijf hoofdstukjes zijn zó boeiend dat het jammer is dat er maar vijf van zijn en dat hij, misschien wel daarom, niets schrijft over zijn tijd als ambassadeur in het net verenigde Duitsland (1993-99) of over de vraag waarom hij, hoewel al bijna pensioengerechtigd, voor de post bij de VN van minister Van Aartsen de voorkeur kreeg boven de in New York toch goed functionerende ambassadeur Ramaker.
Nu moeten we het doen met die paar boeiende hoofdstukken. Daarin grijpt Van Walsum nog eens terug op zijn plan of suggestie aan minister Van den Broek uit 1991 om in het uiteenvallende Joegoslavië nieuwe zelfstandige deelrepublieken te laten ontstaan langs 'logische', dus etnische, grenzen in plaats van die republieken de etnisch-religieuze mix op te leggen die nog steeds uitgangspunt is. Van Walsum erkent dat zijn suggestie internationaal-politiek niet haalbaar was voor de toenmalige EU-voorzitter Nederland, maar hij wijst op de oorlogen en het bloedvergieten dat sindsdien op de Balkan is gevolgd en vraagt zich af hoelang het Westen (Europa) nog bereid is om met heel veel militairen erop te blijven toezien dat de zaken daar niet opnieuw uit de hand lopen.
Met als trefwoorden 'Den Haag antwoordt niet' beschrijft Van Walsum, nog steeds met spijt, hoe weinig gehoor hij in de jaren tachtig als ambassadeur in Bangkok kreeg voor zijn pleidooien voor een soepeler houding jegens Vietnam, dat Cambodja was binnengevallen, maar door de bevolking was verwelkomd als bevrijder na de buitengewoon bloedige terreur van Pol Pots Rode Khmers. Nog kritischer behandelt hij het Nederlandse Afrika-beleid, dat hij onserieus vindt zolang regering en Tweede Kamer dat continent koesteren als ontvanger van ontwikkelingsgeld, maar het op een hard kernpunt als vrede en veiligheid 'afschrijven'.
De manier waarop de Kamer het zogenoemde Toetsingskader hanteert om Nederlandse bijdragen aan militaire vredesmissies af te wijzen past in dat beeld van een zekere hypocrisie, vindt Van Walsum. Als een rode draad lopen trouwens zijn waarschuwingen voor de tweeslachtigheid en de hang naar 'succes voor de publieke tribune' van de Tweede Kamer, soms ook van de regering, door zijn vertogen. Dat levert een eigenaardig beeld op dat een net uit onze diplomatieke top vertrokken man schetst en dat hij aan het slot van zijn boekje nog aanscherpt met zijn waarschuwing dat Nederland met zijn taal gehandicapt is tussen zijn grote buren. 'Het enige recept is ervoor te zorgen dat de kwaliteit van onze inbreng zó evident is dat geen van die landen om ons heen kan', is Van Walsums raad aan de politici en de diplomaten die nog geen afscheid hebben genomen.
Waar je van Van Walsum moet hopen dat hij er nog eens toe komt om een dikker boek met een veel ruimere terugblik op zijn diplomatenbestaan te maken, moet je hopen dat de oud-diplomaat P.S.J. Rutgers, schrijvend onder het pseudoniem Pelegrinus, het laat bij zijn recente Somtijds ondiplomatieke herinneringen. Dat anekdotische werkje vertelt met een vaak ironische toon over de niet zo vreselijk interessante belevenissen van deze ex-diplomaat in Den Haag en in zijn standplaatsen sinds de jaren vijftig.
Ooit werd de lunch nog wel eens gebruikt, soms met de minister, in het Zeebad in Scheveningen. Nadien is er veel veranderd en - zoals we al dachten - vaak niet ten goede. Pelegrinus heeft - zoals we ook al dachten - veel aardige en interessante mensen ontmoet op de plaatsen waar hij zijn koffers heen bracht. Over die aardige mensen, soms ook over knappe dames met een hoge decorwaarde, ontboezemt Pelegrinus 142 pagina's door. Op 'gracieuze wijze', vindt de uitgever, wat een nette manier is om te zeggen dat grotere lijnen ontbreken. Hier en daar zijn namen fout gespeld. Prognose: een winkeldochtertje.